Het accountantsdebat: wat is de norm?

Column

Het accountantsberoep staat in Nederland stevig ter discussie naar aanleiding van een gestage stroom van negatieve berichten. De accountant staat in de beklaagdenbank bij verschillende boekhoudschandalen. KPMG is ongelukkig in het nieuws geweest met kwesties die de accountantscontrole niet direct raken, zoals de afhandeling van belastingzaken rond het nieuwe hoofdkantoor, maar die toch afbreuk doen aan het beeld van integriteit waarop het openbare accountantsberoep is gebaseerd. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft bij herhaling tekortkomingen in controledossiers geconstateerd, en eind september kreeg de discussie weer een impuls door een rapport van de AFM waaruit blijkt dat veel controledossiers van de grote accountantskantoren nog steeds onvoldoende zijn.(1) Onder grote maatschappelijke druk was de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) eerder dit jaar al begonnen aan een bezinningsproject. Het voorlopige resultaat is een rapport, eveneens eind september verschenen, met een reeks voorstellen bedoeld om het maatschappelijk vertrouwen in het accountantsberoep te herstellen.(2)

Om het huidige debat te overzien is het handig om terug te grijpen op eerdere discussies over accountants. Het is namelijk niet de eerste keer, in Nederland of daarbuiten, dat accountants in opspraak zijn.  Een winstpunt uit die vorige discussies is het inzicht dat maatschappelijke ontevredenheid over accountants twee verschillende oorzaken kan hebben: het kan zijn dat accountants onder de maat blijven ten opzichte van geaccepteerde normen van beroepsuitoefening.  In zo’n geval kunnen we spreken van een prestatiekloof (ook wel ‘performance gap’, want het probleem doet zich niet alleen in Nederland voor).  Maar het kan ook zijn dat de accountant haar werk goed doet, terwijl de maatschappij meer of iets anders van haar verwacht. In dat geval spreken we van een verwachtingskloof (‘expectations gap’).  De de twee problemen vragen om verschillende oplossingen: in het ene geval moet de accountant gewoon beter zijn best doen, in het andere geval moet hij vooral beter communiceren over wat hij wel en niet doet.

In het huidige debat spelen beide kloven een rol, maar op een ongelijke manier. Dat er sprake is van een prestatiekloof blijkt duidelijk uit de rapportages van de AFM. Bij de opstelling van het meest recente rapport is hoor en wederhoor toegepast, en de vier grote kantoren hebben laten weten dat ze de kritiek van de AFM accepteren: ‘we weten wat de norm is, maar hebben die niet gehaald’.  Het meest prominente deel van het accountantsdebat tot nu toe gaat dan ook over maatregelen om de accountant weer volgens de norm te laten functioneren.  De teneur van veel kritiek is dat het probleem zit bij de governance en het verdienmodel van de accountantskantoren. Commerciële belangen zouden de overhand hebben verkregen in de accountancy: het behouden van lucratieve adviesopdrachten zou belangrijker zijn dan een rechte rug bij de controle van de jaarrekening van dezelfde cliënten. Dit zou in de hand gewerkt worden door een te sterke focus op het partnerinkomen bij de bestuurders van de kantoren. Het publieke belang zou onvoldoende vertegenwoordigd zijn in het bestuur en het toezicht van de kantoren.  Vandaar allerlei organisatorische voorstellen, zoals scheiding tussen controle en advies (‘audit only’ kantoren),  inkomensbegrenzing, en onafhankelijke raden van toezicht. Ook het rapport van de NBA-werkgroep bevat allerlei voorstellen op het gebied van organisatie, beloning, en kwaliteitsbewaking.

Maar de verwachtingskloof is er ook nog, zij het wat meer in de schaduw. Net als in eerdere decennia zien we ook nu weer dat een deel van het debat draait om uiteenlopende verwachtingen. Een bekend punt is dat de accountant vooral naar fraude kijkt voor zover dat een bedreiging is voor het beeld dat de jaarrekening geeft, terwijl sommigen lijken te verwachten dat als de accountant is langs geweest de onderneming fraudevrij is. Velen lijken er van uit te gaan dat een onderneming met een goedkeurende accountantsverklaring het volgende boekjaar niet failliet kan gaan, terwijl de accountant dit toch echt niet zo bedoelt.  De verwachtingskloof bestaat dus nog steeds, maar speelt tot nu toe geen prominente rol in het debat. Ik begrijp wel hoe dat komt: er is echt een prestatiekloof, en dan komt het zwak over als het accountantsberoep zou suggereren dat het probleem deels bij de maatschappij zelf ligt. Dat zou lijken op een poging om de aandacht van echte problemen bij de kantoren af te leiden.

Het rapport van de NBA-werkgroep is eigenlijk de eerste keer in het lopende debat dat vanuit de beroepsgroep zelf de verwachtingskloof duidelijk ter sprake wordt gebracht. De werkgroep heeft recht van spreken, omdat hij begint met de prestatiekloof uiterst serieus te nemen. Voor de verwachtingskloof valt de werkgroep deels terug op het recept van betere communicatie en management van verwachtingen, bijvoorbeeld als het gaat om de relatie tussen een goedkeurende accountantsverklaring en een kort daaropvolgend faillissement. Maar de werkgroep stelt ook voor dat de accountant op sommige punten aan de verwachtingen van de maatschappij tegemoet moet komen, met name door een bredere verantwoordelijkheid wat betreft fraude te accepteren.

So far, so good, zou ik zeggen.  We zijn nu zover dat problemen door de sector zelf breed onderkend worden.  Bovendien zijn we zover dat de verwachtingskloof weer bespreekbaar is.  En dat betekent dat we weer wat genuanceerder over oplossingen kunnen praten dan alleen in de zin van ‘ga je werk nou eindelijk eens goed doen of we trekken je vergunning in’.

In die situatie wil ik aandacht te vragen voor een aspect dat in de hele discussie onderbelicht is gebleven: hoe zeker zijn we er eigenlijk van dat we de goede norm voor de uitoefening van het accountantsberoep te pakken hebben?

Op het eerste gezicht lijkt dit een rare vraag. We hebben immers op dit moment toch beter uitgewerkte normen voor accountantswerk dan ooit te voren? Voor de accountantscontrole hebben we de International Standards on Auditing (ISAs) van de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB), in Nederland omgezet in ‘Nadere voorschriften controle- en overige standaarden’ (NV COS), onderdeel van een nog dikkere ‘Handleiding Regelgeving Accountancy’ (HRA) . Voor de verslaggeving zelf hebben we voor de beursgenoteerde ondernemingen de International Financial Reporting Standards (IFRSs) van de International Accounting Standards Board (IASB), en voor de overige ondernemingen en andere soorten organisaties de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ). Al met al duizenden pagina’s normering.  Nog nooit eerder in de geschiedenis  was zo duidelijk beschreven waaraan accountants zich hebben te houden.  Bovendien zijn al deze normen tot stand gekomen in zorgvuldige overlegcircuits, nationaal en/of internationaal, waarin jarenlang iedereen zijn zegje heeft kunnen doen, dus waarom zou er met die normen iets niet in orde zijn?

Eén reden om daaraan te twijfelen is dat dit hele pakket erg incrementeel tot stand gekomen is, door steeds stukjes toe te voegen en te verfijnen.  Elk onderdeeltje heeft ongetwijfeld zijn eigen logica, maar hoe vaak is er nu echt gekeken naar het pakket als geheel? Niet al te vaak, ben ik bang.  Als je het simpel bekijkt is de situatie in Nederland zo dat vanaf 1970 de wettelijk verplichte accountantscontrole is ingevoerd, maar dat regering en parlement toentertijd waarschijnlijk slechts een vaag beeld hadden van wat ze van de jaarrekening en van accountantscontrole verwachtten. Sindsdien is het normenkader zeer weelderig uitgegroeid, maar zonder duidelijke evaluatie of het geheel nog wel aan de verwachtingen voldeed, en toets van de markt: jaarrekeningpublicatie en controle waren immers verplicht?

Het is met behulp van dit normenkader dat de AFM onlangs heeft vastgesteld dat bijna de helft van de controledossiers van de grote kantoren niet voldoet. Eerlijk gezegd viel me dat nog mee, en ik bedoel dat niet cynisch. Ik vraag me namelijk al enige tijd af of het hele pakket nog wel een levensvatbaar bedrijfsmodel voor het accountantsberoep overlaat. Is het nog mogelijk om niet soms, maar vrijwel altijd, en liefst met vlag en wimpel, aan dit normenkader te voldoen tegen de in de markt gangbare tarieven voor accountantscontrole, en met arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden die het mogelijk maken om gemotiveerde accountants van hoge kwaliteit aan te trekken?  En als het al zo is dat we het hele stelsel in de lucht kunnen houden, staan de kosten nog wel in verhouding tot de baten? Meningen hierover zullen verschillen, maar het lijkt me tijd dat dáár een keer goed over gepraat wordt.  Het gaat dan om verschillende aspecten die in samenhang bekeken zouden moeten worden:

–  Liggen de prioriteiten nog wel goed?  De NBA-werkgroep geeft een voorzet door het voorstel om in de controle meer tijd, mensen, en middelen te besteden aan frauderisico’s.   Ik zou de vraag breder willen trekken door gelijktijdig naar verslaggeving en controle te kijken om te zien of er punten zijn waar het wel wat minder kan.  Ik vermoed  bijvoorbeeld dat er heel wat tijd, mensen en middelen worden besteed aan het rapporteren en controleren van posten die alleen voor  een kleine groep kenners interessant zijn, zoals latente belastingen, terwijl het zomaar zou kunnen dat de maatschappij die middelen liever besteed zou zien aan meer zekerheid over een juiste omzetverantwoording.

– Liggen de verantwoordelijkheden nog wel goed?  Het lijkt er nu wel eens op alsof het de verantwoordelijkheid van de accountant is  om er voor te zorgen dat het grootste deel van de Nederlandse ondernemingen een goedkeurende accountantsverklaring krijgt.  In termen van kosten en baten van accountantscontrole is wellicht beter om soms eens eerder te stoppen met controleren en vaker niet-goedkeurende of geclausuleerde verklaringen af te geven.  Als een onderneming een administratie van matige kwaliteit voert ligt dáár het probleem dat door aandeelhouders en andere belanghebbenden  moet worden aangekaart.  Het is in zo’n geval een second-best oplossing om de onderneming door te laten werken met een houtje-touwtje van informatiesystemen, en te hopen dat echte problemen wel zullen uitblijven doordat we hoge eisen stellen aan de accountantscontrole.

– Welke budgeten zijn nodig voor de normen die we zouden willen?  Een lastige vraag om te beantwoorden, maar één die toch gesteld moet worden. Het is niet aannemelijk dat de prijsvorming op de markt voor accountantscontrole zomaar goed functioneert, al wast het maar omdat niet iedereen die profiteert van accountantscontrole (bijvoorbeeld vreemd vermogensverschaffers, maar in sommige gevallen ook de belastingbetaler) bijdraagt aan de kosten van de controle.  Krijgen we als maatschappij nu een redelijke prijs/prestatieverhouding voor het product ‘zekerheid over financiële verantwoordingen’? Wie het weet mag het zeggen.

Ik weet dat de marges smal zijn om in Nederland een fundamentele discussie te voeren over accountantscontrole. Daarvoor is accountantscontrole, en het bijbehorende normenkader, te zeer geïnternationaliseerd.  Maar je moet ergens beginnen, dus ik hoop dat de lopende discussie over accountants in Nederland een aanleiding is om de spade dieper in de grond te steken, en verder te kijken dan de partnerinkomens.

Referenties

(1) Uitkomsten Onderzoek Kwaliteit Wettelijke Controles Big 4-Accountantsorganisaties, Autoriteit Financiële Markten, september 2013 (http://www.afm.nl)

(2) In het Publiek Belang: Maatregelen ter Verbetering van de Kwaliteit en Onafhankelijkheid van de Accountantscontrole, Werkgroep Toekomst Accountantsberoep, september 2013 (http://www.nba.nl).

 

Geschreven door Kees Camfferman, hoogleraar Financial Accounting, Vrije Universiteit Amsterdam